Het geloof in de Middeleeuwen

f44e218e1bf6c6988f1d4a0d465e9b92.jpg

- Welkom aan iedereen die geïnteresseerd is in de mystieke aspecten van de Middeleeuwen - 

Hadewijch van Antwerpen is de eerste vrouwelijke dichter die we kennen in de geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Hadewijch is tevens een van de eerste mystieke schrijfsters van de Lage Landen. Toch is haar bekendheid vrij beperkt gebleven. Op veel middelbare scholen is ze verplichte kost en daar blijft het vaak bij. Ten onrechte! Gelukkig groeit er een nieuwe belangstelling voor deze taalkunstenares en haar mystieke ervaringen.

Helaas is er over het leven van Hadewijch geen enkel historische bron gevondenen noch handschrift van haar bewaard gebleven. In haar vierde visioen beschrijft ze hoe een engel tegen haar zegt: “Jij, die voor al je vrienden en tegenstanders onbekend blijft.” En zij blijft inderdaad een onbekende vrouw in de literatuur en mystiek van de Lage Landen.

Om haar te kunnen plaatsen zijn we aangewezen op de spaarzame verwijzingen in haar eigen werk en op de weinige sporen die onderzoekers gevonden hebben. In een manuscript van haar uit de 17e eeuw staat op het schutsblad vermeld: “van de zalige Hadewijch van Antwerpen”. Het is een vaag spoor want het gaat hier om een toevoeging die vele jaren na haar leven is aangebracht. En uit haar naam valt ook weinig af te leiden, want in haar tijd was Hadewijch een veel gebruikte voornaam.

 

Diets

Deze onbekende Hadewijch schreef niet in het Latijn of Frans zoals gebruikelijk in haar tijd, maar in een Brabantse variant van het Middelnederlands, het Diets. Het Diets was haar moedertaal. Daar kon zij alles in kwijt, zoals ze zelf aangeeft. Dat betekent dat zij van oorsprong ergens uit Brabant moet komen. Let wel: Brabant omvatte toen de huidige provincies Noord-, Vlaams- en Waals-Brabant en Antwerpen.

Hadewijch laat in haar werken weinig los over haar concrete leven. Ze moet een zeer ontwikkelde vrouw zijn geweest, met een goede opleiding. Ze was vertrouwd met Latijnse teksten uit de mystieke literatuur en van de Vulgaat vertaling van de bijbel. Ze was op de hoogte van de belangrijke theologen van de die tijd (Bernardus van Clairvaux, Willem van Saint-Thierry en Richard van St.-Victor). Ze kende haar kerkvaders goed, zoals Augustinus en Gregorius. Bovendien was zij vertrouwd met de hoofse zeden en gebruiken en vooral ook de Franse, hoofse minnelyriek. Haar vaardigheid met de Dietse taal is uitzonderlijk. De moeilijkheidsgraad van sommige van haar teksten wijst naar een hoge ontwikkeling.

Recent onderzoek heeft aangetoond dat Hadewijch ook een sterk ontwikkeld muzikaal talent moet hebben gehad. Wat aanvankelijk als haar Strofische gedichten werden genoemd, zijn voor het merendeel liederen die zij gemaakt heeft op bekende melodieën van Noord-Franse minnezangers (trouvères – dertiende eeuw). Een aantal liederen heeft een religieuze achtergrond, uit de liturgie die onder andere gezongen in de Notre-Dame te Parijs. Op een eigen creatieve manier gebruikte zij de rijmschema’s en rijmwoorden.

 

1210 – 1260

In de Lijst van Volmaakten, een aanhangsel bij haar Visioenen, is een belangrijke aanwijzing gevonden voor een datering van Hadewijch. In deze lijst van “volmaakten die het kleed der minne dragen” geeft Hadewijch een opsomming van mensen die volgens haar volledig in Gods Liefde opgenomen zijn. Daarin noemt zij een begijn die op de brandstapel is vermoord door een kerkelijk inquisiteur, Robert le Petit. Van deze inquisiteur weten we dat hij in de eerste helft van de dertiende eeuw geleefd moet hebben. Daardoor kan deze lijst gedateerd worden tussen 1238 en 1244. Dat betekent dat Hadewijch geleefd moet hebben in de periode van ongeveer 1210 tot 1260. De meeste onderzoekers onderschrijven dit: een enkeling dateert haar later.

Velerlei hypothesen zijn er ontwikkeld over de persoon Hadewijch. Aanvankelijk dacht men dat Hadewijch een kloosterzuster geweest moet zijn, ergens in de buurt van Luik. Eind 19e eeuw verkeerde men in de veronderstelling dat zij een Brusselse begijn was: Heilwigis Bloemaerts, gestorven in 1336. Deze Heilwiges Bloemaerts werd op haar beurt weer vereenzelvigd met vrouw Bloemardinne, de ketterse vrouw met wie Ruusbroec een heftige strijd heeft gevoerd. In de Lijst van Volmaakten beschrijft zij dat zij nauw contact onderhoudt met de heer Hendrik van Breda, die in het Antwerpse woont. Rob Faesen werkte al eerder een these uit dat Hadewijch de eerste abdis van het cisterciënszerinnen-klooster van Hertogendaal is geweest.

In een recentere studie van 2010 geeft Daniel Devreese een aantal historische argumenten waarmee hij Hadewijch identificeert met een zekere Hadewid Greca, die geboren werd vóór 1187. De bijnaam Greca wijst op haar afkomst van de familie van de Grieken uit Zoutleeuw (bij Sint-Truiden). Daar verbleef zij in een groep van religieuze vrouwen, voordat zij in 1212 in de kluis Weyngaert te Merksem leefde, die onder toezicht stond van het klooster van Villers. Tot 1230 zou zij dan in Merksem gewoond hebben. Misschien is ze daar gestorven of mogelijk is zij in een klooster ingetrokken. Het blijft voorlopig raadselachtig wie Hadewijch precies is geweest.

 

Begijn ?

Uit diverse passages van haar werk kunnen we afleiden dat Hadewijch als geestelijk leidsvrouw deel heeft uitgemaakt van een kring van religieuze vrouwen. Waarschijnlijk heeft zij gedurende langere tijd ook gewoond in zo’n gemeenschap van vriendinnen. Het betreft hier vrouwen die sterk religieus geëngageerd zijn, maar niet de keuze maken om in te treden bij een kloostergemeenschap. Zij blijven werkzaam in de samenleving en voorzien in haar eigen levensonderhoud (zorg voor zieken, wezen, spinnen, weven, onderwijs). Tegelijk beleven zij actief hun geloof in de eigen gemeenschap. Hadewijch vertelt ook dat zij in bepaalde perioden in de steek gelaten voelde door haar vriendinnen. Ze moest dan van woonplaats verwisselen. Ze typeert zichzelf dan als “dolende door het land”. Op geen enkele plaats heeft Hadewijch zich echter aan een klooster of kerkelijke overheid gebonden.

De meeste deskundigen zijn het er over eens dat Hadewijch geplaatst moet worden in de religieuze vrouwenbeweging van de dertiende eeuw. Men beschouwt haar wel als een van de ‘vroege begijnen’. Het is in deze context dat Hadewijch als magistra en geestelijk leidster van een kleine groep ‘mulieres religiosae’ (religieuze vrouwen) haar teksten geschreven heeft. Niets wijst er echter op dat Hadewijch zelf ooit in een begijnhof heeft geleefd. In de registers van de begijnhoven (en kloosters) wordt haar naam nergens genoemd. Uit haar brieven kan worden opgemaakt dat zij tegenwerking ondervond van buiten (kerkelijke overheden?) en ook te maken kreeg met onbegrip en verdeeldheid in haar eigen kring. Eén keer maakt ze gewag van de mogelijkheid dat ze gevangen zou worden gezet.

Nogmaals, exact bezien, weten we van Hadewijch niet meer dan haar naam. Haar naam komt uit het oud Germaans en betekent: ‘hadu’ (strijdster) en ‘wijch’ (eveneens strijdster). Zij is dus een fiere strijdster. Zelfs God zegt tegen haar:
“Jij bent de sterkste strijdster van alle strijders,
jij hebt alles overwonnen
en het is terecht dat jij Mij ten volle kent.” (Visioen 14).

   

Bron: hadewijch.net

De ongelovige Thomas

Het ongeloof van Thomas - Reliëf uit de Romaanse kloostergang van de abdij Santo Domingo de Silos (Spanje), ca. 1080   De reliëfs op de hoeken van de galerijen van de kloostergang in Silos zijn elk één meter breed en bijna twee meter hoog. Het materiaal is zeer fijnkorrelige, goudgele zandsteen. De voorstellingen zijn steeds geplaatst onder een halfronde boog die op twee ranke zuiltjes rust.   Op het reliëf Het ongeloof van Thomas is het moment voorgesteld waarop Christus aan zijn leerlingen verschijnt, zoals verhaald wordt in het evangelie van Johannes. Uiterst links staat Thomas. Hij steekt zijn vinger in de zijdewond van de Verrezene. De andere apostelen staan in drie rijen achter elkaar. Alle apostelen, waaronder Paulus (!), dragen hun naam in hun nimbus. De kruisnimbus van Christus is voorzien van de tekst: Jesus Nazarenus Rex Judeorum (Jezus van Nazaret koning der joden). Het mag enige verbazing wekken dat de kunstenaar hier de kruisinscriptie gebruikte. Er wordt op gewezen dat hij een verband heeft willen leggen tussen de lanssteek bij de kruisiging en het impertinente gebaar van Thomas.   Er is op het reliëf een tweede intrigerende bijzonderheid: de aanwezigheid van Paulus. Tijdens zijn leven heeft hij Christus niet ontmoet. Hij was ook niet aanwezig bij het moment dat hier wordt voorgesteld. Het wekt ook verbazing dat op het reliëf Paulus, en niet Petrus, de ereplaats naast Christus inneemt. De voorstelling van Paulus valt des te meer op daar hij in zijn nimbus het opschrift draagt Magnus Sanctus Paulus (de grote Sint Paulus).   Men neemt aan dat hier bewust een contrast is geschapen tussen Paulus en Thomas. Deze laatste wilde pas geloven nadat hij gezien had. Jezus sprak tot hem: ‘Zalig zij, die niet zien, en toch geloven.’ Paulus heeft Christus niet daadwerkelijk gezien, maar geloofde wel in hem. Zijn geloof staat in tegenstelling met het ongeloof van Thomas.

"Nostre Dame de Grasse" Toulouse, 15de eeuw

Hemelvaartsdag

Een van de oudste voorstellingen van de hemelopname. Dit ivoren reliëf dateert ongeveer uit 400 na Christus en werd waarschijnlijk in Rome of Milaan gemaakt.

Doopsel van Christus

Gerard David - Maagd onder de maagden

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan: